Dinsdag 28 september 2021 16:42 uur
Ter Aard
Ontvang updates voor Ter Aard
BV X ging in beroep tegen de WOZ-beschikking en aanslagen OZB en rioolheffing voor haar zonnepark op een perceel grond dat was omgeven door een hekwerk. Het zonnepark bestond uit betonnen voeten die een stalen constructie droegen waarop zonnepanelen lagen. Daaronder lagen bedradingen die boven de grond naar een transformatorhuisje liepen. Vlak voor het transformatorhuisje ging de bedrading de grond in om in het transformatorhuisje weer naar boven te komen. Volgens BV X moest het zonnepark als roerend worden aangemerkt voor de toepassing van de Wet WOZ, omdat het vanaf het begin van het project de bedoeling was geweest dat er een mobiel zonnepark werd gebouwd en zij extra hoge investeringen had gedaan om dat te realiseren. Er was daarom in tegenstelling tot de meeste andere zonneparken gekozen voor een constructie waarbij alles zich op of boven de grond bevond. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste echter op basis van het juridisch kader dat de Hoge Raad in het Portacabin-arrest (zie FutD 1997-1939) had gegeven dat het zonnepark als onroerend moest worden aangemerkt. De bedoeling van BV X om een roerend zonnepark te bouwen, was alleen relevant indien en voorzover die bedoeling kenbaar werd uit de bijzonderheden van aard en inrichting van het gebouw. De bijzondere vormgeving van het zonnepark met de bedrading boven de grond maakte volgens de Rechtbank inderdaad dat het zonnepark makkelijker te verplaatsen was, dan wanneer de bedrading onder de grond liep en de installatie deels in de grond was bevestigd. Dit was volgens de Rechtbank echter onvoldoende om te concluderen dat er sprake was van een roerend bouwwerk, mede gelet op de vaste jurisprudentie dat de technische mogelijkheid om het bouwwerk te verplaatsen niet van belang was. Het zonnepark moest volgens de Rechtbank worden gezien als één samenhangend complex. Alle onderdelen van de constructie waaronder de betonnen voeten, de stalen profielen, de zonnepanelen en de bedradingen waren benodigd om het zonnepark te kunnen benutten waarvoor het was gebouwd, namelijk het opwekken van zonne-energie. Het complex in het geheel was er zowel visueel als functioneel op gericht om ter plaatse zonne-energie op te wekken voor meerdere jaren. Mede gelet op de naar buiten toe kenbare aspecten van de aard en inrichting van het zonnepark, zoals de grootte, de zwaarte en het feit dat het geheel met elkaar was verbonden en omheind was door een hek, maakte volgens de Rechtbank dat het zonnepark naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te verblijven, en dus als onroerend moest worden aangemerkt. De Rechtbank stelde de waarde van het bedrijfspand vast op € 1.291.000, waarnaar de gemeente de waarde na bezwaar had verminderd.
Lees het volledige artikel bij de bron
Bekijk al het lokale nieuws van Ter Aard